Generatie 4 ‘Pak alles wat je kan’. Prestatiemaatschappij en keuzelevensloop

‘Pak alles wat je kan’, een slogan die maar in mijn hoofd rond blijft zingen. Zo typerend voor de tijd van nu. Een soort van opdracht: dat je toch echt alles uit het leven moet halen. Als je de tekst verder leest zit er eigenlijk een heel dubbele boodschap in. Het is nooit genoeg, of goed genoeg, want leef alsof het nooit af is. Maar tegelijk moet je het ook nú doen. Presteren met het oog op de toekomst, maar ook niet aan morgen denken. Gisteren nog kwam een sociologe op tv die vertelde dat we in een prestatiemaatschappij leven. Maar gaat het in onze huidige maatschappij echt om prestaties? Wat bedoelen we dan precies? En: geldt dat voor iedereen of in ieder geval alle jongere generaties?

Het begrip prestatiemaatschappij suggereert dat ‘de maatschappij’ ons dwingt om het hoogst mogelijke te halen op allerlei gebieden. Maar we leven niet in een dictatuur of gevangenis, waarin dit soort dingen met straffen en belonen afgedwongen kunnen worden. Misschien dat je diploma’s en salarissen nog een beetje kunt zien als middelen om prestaties af te dwingen. Maar diploma’s en salarissen zijn niet iets nieuws, het praten over de prestatiemaatschappij is dat wel. Sociologen wijzen dan ook op structurelere veranderingen, zoals het toenemend belang van kenniswerk en een andere manier van leren en werken die meer presteren afdwingt. Daar ga ik in een ander artikel op in. Maar net zo belangrijk is de prestatiemaatschappij eens te bekijken vanuit veranderingen in de levensloop van mensen.

In de sociologie verwijst het begrip levensloop niet zozeer naar ontwikkelingsfasen van geboorte tot dood, maar naar tijd en plaats verschillende transitieregimes: opvattingen over de gewenste inrichting van levensfasen en de overgang tussen levensfasen. Opvattingen die via instituties het leven van mensen als het ware ‘voorstructureren’[1]. Zo betekende de invoering van de leerplicht in feite de invoering van de fase kindertijd, de steeds verdere verlenging van de leerplicht ging samen met het ontstaan van de levensfase ‘jongere’ en wetgeving over AOW en pensioenen bakende ineens ‘een derde’ fase af. Voor mannen en vrouwen waren die paden net iets anders, net zo goed als voor lager- en hoger opgeleiden. Maar op deze manier werd er voor elke sociale groep een soort van standaardlevensloop gecreëerd. Dit viel samen met de periode waarin de industrie de belangrijkste bedrijfstak was en de verzorgingsstaat werd ingevoerd.

Vanaf de jaren tachtig schrijven sociologen dat er een einde is gekomen aan die standaardlevensloop en dat mensen te maken krijgen met een keuzebiografie. Enerzijds dwingt de verdergaande ontwikkeling van de samenleving deze keuzebiografie af: als leren niet meer ophoudt als je de schoolbanken verlaat, als mensen geen baan meer krijgen voor het leven, als de grens van AOW en pensioen niet meer vast staat, dan moet je ook anders naar je levensloop gaan kijken. Maar mensen hebben ook zelf meer wensen gekregen, waarmee zij op hun beurt instituties onder druk zetten. Kijk maar naar de roep van vrouwen om wel door te mogen blijven werken na hun huwelijk of de acties voor invoering van het zogenaamde homohuwelijk. Seksuele identiteit, trouwen, kinderen krijgen en opvoeding, werk en carrière, zorg en scholing lijken leefstijlkeuzes geworden. Kortom, de keuzebiografie betekent dat levens minder bepaald worden door collectieve identiteiten als gender en klasse en dat er meerdere soorten levensplannen uitgestippeld kunnen worden. Daar komt nog bij dat die levensplannen voorwaardelijk zijn: ze hebben een open einde en kunnen herzien worden. Huwelijken worden ontbonden, mensen maken een carrière switch, verhuizen of emigreren. Daardoor zijn levenslopen niet meer voorspelbaar, maar alleen achteraf begrijpelijk. Toekomstoriëntaties zullen hierdoor diffuus zijn, gericht op de korte termijn, het openhouden van opties en daarmee uitstellen van keuzes, die bovendien het liefst ook omkeerbaar zijn. De onvoorspelbaarheid van levenslopen vereist dan ook continue reflectie op de eigen levensloop en anticipatie op wat het beste zou zijn gegeven de te verwachten mogelijkheden.

Sociologen spreken over de biografisering van de levensloop: de vormgeving van de eigen biografie wordt hét hoofdthema in de levens van mensen. En dat is nu precies wat zichtbaar wordt in populaire televisieprogramma’s als ‘Ik vertrek’ en ‘real life’ progamma’s en natuurlijk in de sociale media. Een keuzebiografie betekent niet alleen dat je ‘bevrijd’ bent uit een collectieve identiteit, maar stelt je ook voor een nieuwe opdracht: je moet steeds bedenken wie je dan wel wilt zijn, wat voor leven jij wilt leiden. En dat betekent dat je steeds aan jezelf moet werken, steeds jezelf moet uitvinden en een uniek levenspad moet zien te maken. Eigenlijk vereist de keuzebiografie dat we voor altijd moeten blijven wat we eerst alleen aan kinderen en tieners toeschreven: nog lerende en met alle opties open. Het is ook niet voor niets dat ‘jeugd’ de norm is geworden. Je moet je leven lang blijven bedenken wat je wilt worden.
En deze ontwikkeling naar een keuzebiografie is dus zeker sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de gang. Sinds die tijd zijn keuzes voor meer en meer mensen mogelijk geworden én zijn de keuzes zelf enorm toegenomen en nu vaak ook onmiddellijk toegankelijk. Je hoeft maar even naar een website te gaan en je vrijwilligersbaantje in een Nigeriaans weeshuis is geregeld. En waarom zaterdagavond naar een dansfeest om de hoek als je ook voor dertig euro in Riga kunt landen?

Wanneer de eigen biografie tot hoofdthema van iemands leven wordt, wordt ook de ontwikkeling van het ‘eigen ik’ de belangrijkste levensopdracht: pas als je weet wie je bent, weet je welke keuzes je moet maken. Regisseur zijn van je leven veronderstelt zelfkennis (Christien Brinkgreve heeft hier veel over geschreven [2]). De opkomst van de keuzebiografie ging volgens sociologen dan ook hand in hand met de opmars van de psychologie, vooral de positieve psychologie die de nadruk legt op het werken aan positieve eigenschappen en ervaringen. Sommige sociologen zoals Elchardus signaleren dat de nadruk op ‘jezelf zijn’ niet zozeer gaat om cognitieve ontplooiing, jezelf vormen, maar om je zuivere ik ontdekken, waarbij emoties als meest ‘zuivere’ uitdrukking van ‘jezelf zijn’ ervaren worden. Een proces dat volgens sommigen verbonden is aan de huidige consumptiesamenleving, waarin emotie en kicks en het ‘plezier jezelf’ de belangrijkste verkoopproducten zijn. Schulze heeft hier het mooie woord ‘Die Erlebnisgesellschaft’ voor geïntroduceerd. Het moderne individu kenmerkt zich volgens Schulze door een op zichzelf betrokken belevingswereld, waarin het werken aan de eigen ervaring een doel op zich is geworden; een ervaring die het stempel moet dragen van een unieke, eigen constructie. Gevolg is dat sociale relaties en bezigheden vooral beoordeeld worden op belevingswaarde, emotionele kwaliteit. De eigen gemoedstoestand is daarmee de nieuwe richtsnoer voor mensen geworden en heeft daarmee de functie van de voorgeschreven normen overgenomen. Maar als het eigen gemoed richtsnoer is, dan is het individu geheel op zichzelf aangewezen en moet het steeds opnieuw keuzes maken, waarbij ‘nieuwe ervaringen’ en een ‘goed gevoel’ de enige leidraad zijn.

Kortom: dat werken aan jezelf, de zelfontplooiing is steeds minder gericht op (zoals nog tot in de jaren tachtig de definitie) ‘het beste uit jezelf halen door veel moeite te steken in studie en maatschappelijk betekenisvol bezig zijn’, maar ‘om al genietend het beste uit de wereld te halen’. De maakbare samenleving vervangen door het maakbare individu, waardoor alle problemen geïndividualiseerd worden: een perfect liberaal beeld van een ondernemend zelf. Een ondernemer van je eigen leren, van je eigen arbeidskracht, van je eigen leven. En dit alles dwingt ook tot een bepaalde ‘zelfpresentatie’. Niet voor niets putten mensen zich uit om te laten zien we ze zijn, of beter, willen zijn in allerlei sociale media. Maar wie zijn wij in de spiegel en wie willen we zien? Ook voor dat zelf staat eigenlijk al vast hoe dat er uit moet zien: we moeten onze eigen identiteit kiezen door te demonstreren dat we in staat zijn eigen netwerken te onderhouden, dat we aan ons uiterlijk werken, dat we kunnen verwoorden en verbeelden wie we zijn en dat we ‘alles pakken wat we pakken kunnen’.

In het artikel Generatie 3 ging ik in op generatie-eenheden: voorhoedes binnen een generatie die een generatie haar naam en kenmerken geven. Kenmerken die dus eigenlijk alleen voor die voorhoede op gaan. Ook het verhaal van de keuzebiografie gaat misschien in werkelijkheid alleen voor de voorhoede op. Maar het verhaal is wel de norm geworden: ook voor mensen die dat niet willen of die zoveel keuzevrijheid ook helemaal niet hebben. Welke mensen staan of voelen zich buitenspel staan in het verhaal over de keuzebiografie? Dat vertellen van je eigen levensverhaal en geven van een ‘juiste’ zelfpresentatie vereisen ook bepaalde ‘competenties’: wie heeft die wel en wie niet? Wie heeft er ook daadwerkelijk geen middelen in handen om echte keuzes te maken? Wie voelt zich niet de sociaal handige, mondige, lichamelijk perfecte persoon? Leidt dat tot een constant gevoel van mislukt zijn, falen of ten minste tot het gevoel van ontevredenheid en onrecht? Is dat ook een mogelijke verklaring van de onvrede die mensen voelen maar die ze niet goed weten te duiden? En daarom maar liever projecteren op externe schuldigen als ‘de politiek’ of ‘de immigranten’? Terwijl anderen de onvrede misschien meer op henzelf projecteren en zich opsluiten in een regime van fitheidsregels, sociale omgang en carrière stappen dat ze aan de wereld presenteren als het leven van hun droom?

We weten eigenlijk maar heel weinig over wat jongeren zelf denken over de keuzebiografie. Hoewel er ook weinig goed onderzoek is naar prestatiedruk die jongeren ervaren, wordt in diverse media wel steeds vaker de relatie gelegd: we kunnen alles kiezen en moeten van ons zelf zoveel mogelijk doen. De vloed aan verhalen over burn out onder jongere generaties volgt in diezelfde stroom.
Wat levert de keuzebiografie ons nu eigenlijk op? En zijn we nu echt zo autonoom in onze keuzes als we denken? (In artikel Generatie 5 ga ik verder in op keuzes). Kunnen we ook anders tegen ons leven aankijken en daarmee minder stressvol leven? Met andere woorden: kunnen we de sociologische blindheid afleggen en onze ‘gevoelens en opvattingen’ over leren, werken, leven als een cultureel script gaan zien in plaats van als ‘onveranderlijke waarheid’? Kunnen we dan ook anders tegen ons ‘zelf’ aan gaan kijken en het zelf niet meer zien als een contextloze ware kern waar we naar op zoek moeten?
In artikel Generatie 6 ga ik verder in op hoe de sociologie de epidemie van burn out zou kunnen keren.

[1] Ik put voor dit stuk uit mijn proefschrift De nieuwe leerder: daar zijn de wetenschappelijke bronnen te vinden waarop dit verhaal gebaseerd is.

[2] Zie bijvoorbeeld Brinkgreve, C. (2009). De ogen van de ander. Amsterdam: Augustus.

Generatie 4 ‘Pak alles wat je kan’. Prestatiemaatschappij en keuzelevensloop
Schuiven naar boven