Passend en gepersonaliseerd onderwijs vergroot tweedeling

Passend onderwijs is in. Doen wat elk kind nodig heeft, differentiëren naar niveau en interesse dus, want ‘elk kind heeft toch een eigen talent’. Of: ‘Niet iedereen hoeft toch gymnasium te doen? Sommigen zijn nu eenmaal beter met hun handen’. Met dit soort uitspraken doen we kinderen onrecht aan. Natuurlijk zijn de uitspraken op zich heel nobel. Ook ik wil graag dat elk kind optimaal wordt uitgedaagd om zich te ontwikkelen. Toch wordt het een ander verhaal als steeds de Charella’s naar het vmbo en de Lotte’s naar het vwo gaan. Als Charella de extra instructie mag volgen en geen ochtend verder komt dan het herhalen van de keersommen. Terwijl Lotte na een half uur rekenen klaar is en verder mag met haar onderzoek naar haar lievelingsland.
Doen we hiermee recht aan individuele verschillen en talenten? Misschien of misschien deels, maar zeker is dat er ook subtiele sociologische mechanismen werkzaam zijn[1].

Net als in mijn andere artikelen bepleit ik ook op dit thema een herwaardering van de sociologische bril. En dat pleidooi blijf ik ook volhouden in mijn rol als lerarenopleider al lijkt dat soms vechten tegen de bierkaai. Thema’s als ongelijke onderwijskansen zijn gewoon niet meer in de curriculumkaders van lerarenopleidingen en pabo’s terug te vinden. Er zijn echter altijd wel haakjes om het thema toch op de agenda te zetten. Dan is het veelzeggend hoe dat soms leidt tot verzet bij studenten of collega’s. Als je wijst op de grote rol die de opleiding van ouders speelt bij basisschoolkinderen dan ‘ben je toch heel stereotiep bezig’ en ‘iedereen heeft toch eigen keuze’ en ‘een vriendin van mij met laagopgeleide ouders zit nu toch ook op het hbo’. Ook al toon je met onderzoeksgegevens de ongelijkheid van onderwijskansen aan dan is de reactie ‘daar ben ik het niet mee eens’ geen eenmalige gebeurtenis.

Inmiddels zijn we allemaal zo gewend aan het beeld dat iedereen zijn eigen leven naar eigen keuze kan inrichten (zie mijn artikelen over generaties, bijvoorbeeld deze) dat de rol van sociale factoren liever weggepraat of gewoon ook niet begrepen wordt. Maar juist daarom is het nodig om de sociologische bril weer eens op te zetten. En niet in de laatste plaats ook omdat de kansenongelijkheid in het onderwijs oploopt. De laatste jaren nemen de verschillen toe tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders. Hierdoor krijgen veel kinderen met laag opgeleide ouders niet het onderwijs dat ze aan zouden kunnen en blijft talent onderbenut. Zo stromen leerlingen met laagopgeleide ouders vaker door naar een lager onderwijsniveau. Ze krijgen lagere middelbare schooladviezen en deze worden minder vaak bijgesteld op basis van de eindtoets. Ook in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs stromen deze leerlingen vaker af. Bovendien gaan ze minder vaak naar het hoger onderwijs dan in eerdere jaren en stromen ze minder op van hbo naar wo. Selectie-eisen bij masteropleidingen blijken uiterst subjectief en in het voordeel uit te pakken van studenten van hoog opgeleide ouders[2] .

In dit artikel wil ik eerst ingaan op de rol van (de opleiding van) ouders en peers, daarna bekijk ik de rol van leraren en scholen.

Ouders
Kinderen van laagopgeleide ouders brengen een andere thuiscultuur mee dan de schoolcultuur van hen vraagt en krijgen minder de kennis en vaardigheden mee die de school graag zou zien. Hoger en lager opgeleide ouders verschillen gemiddeld genomen in bijvoorbeeld hun soort taalgebruik, mate waarin en manier waarop ze over actualiteiten praten, ze lezen en voorlezen en musea bezoeken. En dat gaat steeds subtieler: we kunnen tegenwoordig bijna allemaal naar Valencia vliegen, maar weet iedereen waar het ligt? En wat ga je daar dan precies doen en hoe praat je er over? Kortom: ouders verschillen in manieren waarmee je (via woordenschat) grip krijgt op, kennis krijgt over een steeds grotere wereld. En dan vooral de dingen in de wereld die we als samenleving belangrijk vinden. Behalve om verschillen in kennis gaat het daarbij ook om verschillen in vaardigheden als zelfregulatie, jezelf kunnen uitdrukken en weten hoe je de leerkracht het beste voor je kunt innemen (kinderen van hoogopgeleide ouders blijken bijvoorbeeld beter in onderhandelen met de leerkracht, terwijl kinderen van laagopgeleide ouders eerder boos worden of zich terugtrekken). Het is wat we in navolging van Bourdieu noemen: een kloof in cultureel kapitaal.

Daar komt bij dat hoogopgeleide ouders gemiddeld genomen de schoolloopbaan veel vroeger en veel bewuster begeleiden dan laagopgeleide ouders. Hoogopgeleide ouders zijn meer betrokken geraakt bij de schoolloopbaan van hun kinderen. Zij kiezen bewuster en voor betere scholen. Juist hierdoor is de laatste jaren de ongelijkheid sterk toegenomen, ook in het basisonderwijs. Hoogopgeleide ouders nemen massaal hun toevlucht tot bijvoorbeeld de Vrije School in de stad, de andere kinderen blijven achter op de andere scholen. Dat betekent dat kinderen nu al vanaf de basisschool in hun eigen bubbel zitten. Kinderen van hoogopgeleide ouders gaan ook vaker naar huiswerkklassen en toetstrainingen. Ze krijgen vaker medische indicaties wanneer deze op onderdelen achterblijven. En met het stempel dyslexie kun je je gewoon melden bij een hbo-studie en daarvoor hulp en aanpassingen krijgen, maar noem je het probleem gewoon ‘een taalachterstand’ dan zul je het zelf moeten uitzoeken. Bij de adviesgesprekken voor het voortgezet onderwijs stellen hoogopgeleide ouders meer eisen en zullen ze meer proberen er een hoger advies uit te onderhandelen dan laagopgeleide ouders.
Bij studiekeuze zeggen zowel hoog- als laagopgeleide ouders tegenwoordig vaak ‘doen wat je leuk vindt’, maar dan nog treden dan verschillen op. Charella ziet make-up vlogger of kapster wel als iets aantrekkelijks totdat ze kinderen krijgt. Maar had ze weet kunnen hebben van de wereld van genetica in relatie tot huidverjonging?. Thema’s die in de studiekeuze van Lotte centraal staan. En ‘Natuurlijk, ga maar je eigen boek schrijven’ werkt toch echt anders uit voor Charella dan voor Lotte die een beroemde schrijfster als moeder en beroemde uitgever als vader heeft.

Peers
Hoe ouder een kind wordt des te groter ook de rol van peers gaat worden. Maar wie speelt met wie en wat doen jongeren samen? In welke netwerken kom je terecht als bij aanvang van de middelbare school al de selectie gemaakt wordt? De Charella’s en Lotte’s komen elkaar dan helemaal niet meer tegen. Kinderen komen dan nog meer in hun eigen bubbel terecht en dat brengt nieuwe verschillen met zich mee. Vwo-peernetwerken hebben andere hobby’s, komen bij andere ouders over de vloer, praten op een andere manier over uitgaan dan vmbo-peernetwerken. Dat heeft invloed op kennis en vaardigheden die jongeren samen ontwikkelen. Zo blijken jongeren in hogere schooltypen te zoeken naar vrienden ‘waar ze nog wat van kunnen leren’. En juist de kennis en vaardigheden die vwo-peers ontwikkelen blijken dan meer ingezet en meer gewaardeerd te worden op school (bijvoorbeeld leren debatteren, leren kinderen te coachen bij hockey, leren blogs te schrijven). Er worden ook vaardigheden ontwikkeld die speciaal voor het verblijf op school bedoeld zijn. Het vwo-peernetwerk is gericht op het elkaar motiveren voor school en het ontwikkelen van tactieken om met negatieve schoolmotivatie om te gaan, zoals verantwoord onderpresteren, terwijl peernetwerken in lagere schooltypen eerder neigen hun frustraties om te zetten in conflict scheppen.

Leraren
Leraren en schoolleiders hebben vaak hogere verwachtingen van leerlingen met hoogopgeleide ouders dan van leerlingen met laagopgeleide ouders. Onderzoeken laten zien dat leraren kinderen onbewust anders behandelen. Hoe werkt dat dan? Uiterlijk waarneembare leefstijlkenmerken zijn voor leraren onbewuste signalen voor de herkomst van het kind en de opleiding van de ouders. Denk aan kenmerken als de soort kleding, de witte boterham met hagelslag of de speltcrackers met kerstomaatjes als lunch, de manier van praten: allemaal signalen die we onbewust koppelen aan sociaal milieu (opleiding, inkomen, soort beroep). Natuurlijk zijn het indicaties en geen absolute waarheden. En het gaat om gemiddeldes, er zijn altijd uitzonderingen.

Die kenmerkende signalen leiden bij leraren tot bepaalde verwachtingen: Charella is niet zo heel pienter, Lotte weet het altijd wel. Op grond daarvan krijgt Charella minder vaak een beurt, vooral gesloten vragen en vooral reproductievragen, terwijl Lotte de open doordenkvragen krijgt. Leraren hebben bovendien positievere interacties met leerlingen van wie ze hoge verwachtingen hebben. Deze leerlingen krijgen meer aandacht in de klas, ze ervaren meer warmte van de leraar en ze krijgen meer ruimte om te laten zien wat ze hebben geleerd. Kinderen gaan zich op hun beurt weer naar die verwachtingen gedragen (het Pygmalion-effect of selffulfilling prophecy genoemd). Zie hier hoe de ongelijkheid in de klas vergroot wordt.
Denk ook nog aan de manier waarop het gedrag van kinderen getypeerd wordt. Dat Fatima moeilijk mee komt met de begrijpend lezen les ligt ‘aan hun cultuur waarin lezen niet belangrijk wordt gevonden’, terwijl Charella gewoon niet zo pienter is en Lotte moeilijk meekomt omdat ze dyslexie heeft. Leraren en studenten zijn zich dit alles vaak niet bewust, maar als je het bespreekt is het meteen heel herkenbaar. En de eye opener is nog groter als mijn studenten zich vervolgens laten observeren bij het geven van beurten. Keer op keer komen ze tot dezelfde conclusies als het hierboven genoemde onderzoek.

Bij de doorverwijzing naar het voortgezet onderwijs spelen dezelfde mechanismen een rol. Kinderen van laagopgeleide ouders krijgen dan vaker een te laag advies gelet op de toetsscores: ‘Charella wordt niet gelukkig als ze steeds op haar tenen moet lopen’. Kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen (ook in combinatie met de druk die de ouders zelf uitoefenen op de leraar) vaker een te hoog advies vanuit de verwachting dat ‘Lotte het met wat hulp van haar ouders wel redt’.

De aandacht voor passend onderwijs kan als onbewust en onbedoeld effect hebben dat leraren de ongelijkheid naar sociale herkomst nog verder vergroten. Enerzijds moeten leraren hoog presterende kinderen uitdagen, anderzijds kinderen die van huis uit minder kansen hebben in het onderwijs ook ondersteunen. Beide aanpakken zijn echter niet met elkaar te verenigen, omdat ze van conflicterende perspectieven op differentiatie vertrekken. In die zin worden leraren zelf hiermee ook voor een dilemma geplaatst. Welke leraar wil nu niet alle talenten van alle kinderen waarderen én ongelijke kansen verminderen? Veel leraren zijn zich echter niet bewust dat dit een dilemma is en zien niet hoe hun handelen bijdraagt aan kansenongelijkheid. Hoewel leraren misschien vinden dat alle kinderen (alleen via een andere weg en tempo) dezelfde doelen moeten halen (convergente differentiatie), betekent differentiatie in de praktijk meestal dat iedereen verschillende niveaudoelen bereikt (divergente differentiatie) [3].

Want wat doen leraren meestal bij differentiatie? Aansluiten bij ieders niveau en talent betekent zeker op de basisschool – niet bewust bedoeld, maar in de praktijk gewoon realiteit – dat je eigenlijk aansluit op ‘wat kinderen van huis uit hebben meegekregen’. Zo komt Charella met een geringere woordenschat en minder complex taalgebruik de school binnen dan Lotte. Daarom krijgt ze bij taal extra instructie en moet ze elke ochtend herhalingsopdrachten maken. Lotte is na een half uur klaar met taal en mag dan verder met uitdagende verrijkingsopdrachten. Behalve dat alle kinderen verrijkingsopdrachten vaak veel interessanter vinden betekent dit ook dat de Lotte’s nog verder uitlopen op de Charella’s.
Meestal hanteren leraren niet voor elk kind een specifieke aanpak, maar worden kinderen in drie niveaugroepen ingedeeld om de diversiteit in aanpakken wat praktisch beheersbaarder te maken.
Bekend is dat het werken in niveaugroepen niet goed uitpakt voor de kinderen met het laagste niveau: zij krijgen minder denkvragen, meer gerichte instructie, meer oefenmateriaal dan hoge niveaugroepen. Ook in niveaugroepen gaan kinderen zich gedragen naar de verwachtingen van de groep waarin ze het geplaatst worden, het eerder genoemde Pygmalion-effect. Ook bij differentiatie gelden dus vergelijkbare sociologische mechanismen als bij het geven van beurten. Vandaar dat het zo belangrijk is dat leraren zich bewust zijn van hun houdingen, van hun verwachtingen ten aanzien van bepaalde groepen kinderen, omdat die verwachtingen doorwerken in hun didactisch en pedagogisch handelen.

Scholen
Scholen spelen in op de vraag van ouders. Leerlingen worden steeds vroeger op één niveau geplaatst worden door de toename van zogenaamde categorale scholen (scholen voor alleen gymnasium of alleen mavo of havo). Maar ook al komen kinderen op een brede scholengemeenschap dan is steeds vaker de brugklas niet meer heterogeen maar al voorsorterend voor de vmbo- of havo- of vwo-afdeling van de school. En als er veel kinderen naar het vwo gaan, dan is er altijd nog de tweetalige vwo-afdeling of een plusklas binnen het vwo. Steeds blijken kinderen van hoogopgeleide ouders oververtegenwoordigd in de hogere schooltypen en afsplitsingen daarvan en kinderen van laagopgeleide ouders ondervertegenwoordigd en juist oververtegenwoordigd in de lagere typen.

Een zelfde soort proces voltrekt zich nu ook bij basisscholen. Er zijn steeds meer scholen die zich met een specifiek opleidingsconcept profileren en daarmee vooral kinderen van hoogopgeleide ouders trekken. Ook basisscholen worden hiermee tot gescheiden bubbels waarin kinderen elkaar niet meer tegenkomen. En als ze al wel samen naar dezelfde school gaan dan heeft passend onderwijs onbedoeld geleid tot gescheiden bubbels binnen klassen, omdat kinderen passend bij hun niveau in vaste groepen ingedeeld worden of gedeeltes van de lestijd in een plusklas worden ondergebracht. Ook binnen een klas ontmoeten hoog en laag presterende kinderen elkaar dus steeds minder. En omdat er een sterke samenhang is tussen prestatieniveau en het opleidingsniveau van ouders draagt passend onderwijs dus ook op deze manier bij aan het vergroten van sociale ongelijkheid.

Daar komt bij dat goede en hoger opgeleide leraren vaker vertrekken naar de scholen waar de hoogopgeleide ouders hun voorkeur voor hebben. Scholen met grote groepen leerlingen van lager opgeleide ouders blijven vaker achter met de minder bevoegde leraren, een hoger ziekteverzuim en een hoger verloop van personeel en in combinatie daarmee mogelijk ook een mindere onderwijskwaliteit.

Wat kunnen we nu al meteen doen?
Het is logisch dat ouders het beste voor hun kind willen. Het zijn de hoogopgeleide ouders die scholen vragen om niveaudifferentiatie, om plusklassen en die hun kinderen naar de betere en naar categorale scholen sturen. Dat is ouders niet aan te rekenen. Maar scholen moeten zich bewust zijn dat ze dit gedrag van ouders faciliteren of juist kritisch kunnen bezien. Het belangrijkste is om de selectie in het onderwijs zo lang mogelijk uit te stellen en zo objectief mogelijk te maken zodat de hierboven genoemde sociologische mechanismen een minder grote rol spelen (onbewust kinderen van laagopgeleide ouders anders behandelen en in lagere niveaus indelen). Uitstellen van selectie dus, want hoe verder in de schoolloopbaan, des te meer eigen talenten belangrijk worden. Des te meer ook het kapitaal dat je bij vrienden, buiten het ouderlijk huis, op doet van belang wordt. Vanwege dat laatste is het ook belangrijk om zo lang mogelijk in sociaal heterogene groepen te leren: anderen ontmoeten, is ander kapitaal op doen. Dat vraagt dus om systeemoplossingen.

Maar leraren kunnen morgen ook zelf direct iets in hun klas doen.
• Breng eens in kaart welke verwachtingen je van kinderen hebt, wat de opleiding van hun ouders is en laat je observeren (of film jezelf) hoe je de kinderen behandelt bij beurten en bij niveaudifferentiatie.
• Geef willekeurig beurten door de namen van kinderen op ijsstokjes te schrijven en blindelings steeds een stokje te pakken.
• Zorg voor het Rosenthal-effect in plaats van het Pygmalion-effect. Dat betekent:

o heel bewust warme relaties aangaan met leerlingen van wie we lagere verwachtingen hebben: zoek toenadering tot de kinderen waar jij juist grote afstand toe voelt.
o niet de lesdoelen verlagen (met het Pygmalion-effect als gevolg), maar de instructie intensiveren (voor het bereiken van het Rosenthal-effect).
o alle leerlingen kans geven op succeservaringen en de ruimte om de leerstof te verwoorden door iedereen dezelfde beurten te geven en tijd te gunnen om te antwoorden of later een antwoord te formuleren.
o alle leerlingen gelijkwaardige feedback geven; vragen stellen en stappen inbouwen die helpen om tot een juiste formulering te komen.

• Heb oog voor zelfselectie: jongeren uit lager opgeleide milieus hebben eerder het idee ‘ik kan niet zelf een vakantieland onderzoeken’, ‘een boek lezen is niets voor mij’, ‘dat is niets voor mij die universiteit’, of ‘ik kom toch niet door die selectie’.
• Leg niet de nadruk op gestructureerd, gedisciplineerd werken volgens vaste stappen, maar probeer allereerst het plezier van leren over te brengen. Laat het vuurtje ontbranden en grijp alles in de omgeving aan om over te leren: elk kind zal dan zin hebben om te leren, ongeacht wat hij of zij van huis uit gewend is. Laat daarbij de vreugde zien van ‘iets onbekends’ leren kennen. En maak duidelijk dat leren soms pijn doet, ongemakkelijk voelt: dat hoort er juist bij.
• Werk met heterogene groepjes waarin kinderen elkaar helpen en wissel die af met niveaugroepen, maar plaats kinderen dan niet in vaste niveaugroepen (laat ze van niveau wisselen) en laat ze dagelijks of wekelijks zelf kiezen bij welke groep ze willen aansluiten. Willen ze zelf extra instructie, of willen ze al meteen aan de gang gaan? Of…?
Ook leraren kunnen zorgen dat kinderen met andere werelden en daarmee voorbeelden en rolmodellen in aanraking komen. Het is Charella’s eigen keuze om een dagje met een kapster mee te lopen, maar of ze op het idee zou komen een dagje met de plastisch chirurg mee te lopen? De weekeindschool is een mooi voorbeeld hoe ze de bruggetjes naar nieuwe werelden leggen. Haal dus werelden in je klas en breng je kinderen naar nieuwe werelden.

[1] Ik put hier uit mijn eigen onderzoek, de bronnen in mijn proefschrift De Nieuwe Leerder en recente bronnen zoals die besproken worden in https://www.socialevraagstukken.nl/dossiers/onderwijsongelijkheid/

[2] Zie de Staat van het Onderwijs 2018 van de Inspectie die elk jaar in april verschijnt.

[3] Zie uitgebreid in Denissen, E. (2017). Verantwoord omgaan met verschillen. Oratie. Leiden: Universiteit Leiden en Stichting Sardes.

Passend en gepersonaliseerd onderwijs vergroot tweedeling
Schuiven naar boven