Ideologie en emancipatie kunnen de leraar en het onderwijs redden

De sleutel tot verbetering van het onderwijs is de emancipatie van leraren. En de sleutel tot die emancipatie is laten zien dat het onderwijs onvermijdelijk ideologisch geladen is en gaat over moreel geladen keuzes, want alleen zo kun je zichtbaar maken dat het dus ook anders kan.

Leraren en andere professionals lijken de neoliberale ideologie beu, waarin de nadruk ligt op marktwerking en concurrentie als beste garantie voor individuele vrijheid en efficiency. Juist door die ideologie aan te kaarten, hebben leraren een belangrijk middel in handen voor de emancipatie die ze inmiddels in gang hebben gezet. Ook het woord emancipatie zegt het al: je vrijmaken uit betekent beseffen dat je onderdeel bent van een maatschappelijke context waarin een bepaalde ideologie dominant is, maar waarin dus ook andere zienswijzen mogelijk zijn.

Wat die emancipatie steeds weer tegenwerkt is dat we nauwelijks meer aandacht hebben voor die ideologische invloed van de context. Het woord ideologie lijkt alleen nog maar van belang als het gaat over extreme visies. En dat is niet terecht. Ook het neoliberale beleid heeft een ideologische basis. Nog minder zichtbaar is hoe dat beleid hand in hand gaat met de psychologisering binnen de onderwijsmuren. De positieve psychologie verschijnt als een ‘soort waarheid’ in plaats van een mogelijke visie op de mens.
In die visie, net als in het neoliberale mensbeeld, verschijnen leerders als zelfmanagers en ondernemers van hun eigen ‘leer- en arbeidskracht’. In eerdere artikelen schreef ik hoe dit mensbeeld mogelijk samenhangt met de druk die mensen ervaren: jij bent het die het moet doen, je moet je unieke zelf ontdekken, de juiste keuzes maken en mislukken is dus een ‘eigen keuze’. Juist het besef dat dit samenhangt met een contextgebonden mensbeeld, maakt de weg vrij voor emancipatie: voor daadwerkelijk andere opties (zie hier in een eerder artikel voor voorbeelden).

Deze neoliberale en positieve psychologie benadering beïnvloeden het onderwijs en tegelijk bedekken ze de invloed van de ideologisch geladen context onder een dikke deken van schijnbare objectiviteit: we zijn toch immers vrij om onze eigen keuzes te maken. Waarden spelen wel degelijk een rol, maar worden niet expliciet en transparant gemaakt. Ik wil op een paar voorbeelden in gaan, waarom die schijnbare neutraliteit een hindernis is voor verandering.

Het eerste voorbeeld is hoe de handelingen van leraren vaak weggezet worden als een soort ‘objectieve, neutrale’ verrichtingen, die (liefst ‘bewezen’) goed of fout zijn. Dat is kortzichtig, want bijna al het werk van leraren draait om morele dilemma’s. Ogenschijnlijke didactische handelingen omvatten al gauw ethische beslissingen: wie geef je waarom welke beurt?, kies je voor heterogene of homogene niveau groepen?, met welk ander land ga je Nederland vergelijken als het om welvaart gaat?
Emancipatie betekent dat leraren zich vrij maken uit de ogenschijnlijke ‘objectieve’ handelingen en de kern van het beroep weer zien als complex, kwetsbaar, niet voor eenduidige oplossingen vatbaar.
Aandacht voor de eigen beroepsidentiteit is dan essentieel. Hoe vaak gaan leraren met elkaar en met andere betrokkenen in gesprek over hun uitgangspunten? Vanuit welke principes of deugden handelen zij? Zou dat ook anders kunnen en hoe werkt dat dan uit in de praktijk? De leraar die handelt vanuit moed zal andere reacties van leerlingen en ouders krijgen dan de leraar die handelt vanuit zorgzaamheid.

Zulke gesprekken maken ook duidelijk dat een visie op het onderwijs en op het beroep nooit neutraal kan zijn. Wat mij betreft mag daarbij ook de samenhang tussen deze visie en de maatschappelijke context meer aandacht krijgen.
In wat voor tijd en omgeving groeide je op, wat heb je daarvan meegekregen en wat zie je daarvan terug in hoe je naar huidige maatschappelijke ontwikkelingen kijkt, naar pedagogische visies, naar verschillende onderwijsconcepten? In mijn werk praat ik veel met leraren over hun onderwijsvisie. Dan is het niet toevallig dat bijna iedereen begint met praten over het belang van individuele aandacht, maatwerk, 21ste eeuwse vaardigheden en zelfsturing. Niet ‘toevallig’, want zie hoe hier belangrijke kenmerken van het neoliberale denken en de positieve psychologie verschijnen. Leerlingen moeten managers van hun eigen leerproces zijn, in staat zijn zo efficiënt mogelijk hun leren in te richten en zelf aan te sturen. En dus stort het onderwijs zich op ‘individuele planborden’ en ‘weektaken’. Zie daar ook de nieuwste mode in onderwijsland: de grote aandacht voor het ogenschijnlijk enorme belang van executieve vaardigheden.

Het gaat er mij niet om of die aandacht voor executieve vaardigheden nu wel of niet belangrijk is, maar wel in welke context die aandacht daarvoor ineens zo groot wordt. Eerst dus het waarom en waartoe nagaan, voordat het onderwijs zich weer massaal op het volgende ei van Columbus moet storten.

Daarbij komt de maatschappelijke context op een tweede manier om de hoek kijken. Wat voor ‘maatschappelijke opdracht’ legt de huidige context bij het onderwijs? Decennia lang heeft die opdracht ingehouden dat het onderwijs moet zorgen voor ‘gelijkere kansen’. Maar is daar met de nadruk op individuele leerbehoeften en zelfmanagement nog wel oog voor? ‘Neutraal’ spreken over individuele leerbehoeften versluiert het feit dat individuele leerbehoeften en kansen nog steeds sterk door maatschappelijke achtergrond beïnvloed worden. Ik vraag me daarbij af of datzelfde niet gebeurt met de aandacht voor executieve functies. Vallen die niet grotendeels samen met culturele hulpbronnen? Kort door de bocht: het kunnen plannen, impulsen beheersen, prioriteiten stellen zijn dat juist geen eigenschappen die vooral kinderen uit bepaalde milieus van huis uit mee krijgen? Welke kinderen hebben voordeel bij het benadrukken van executieve functies? Als we die functies en het onderwijs in het algemeen alleen zuiver leer- of neuropsychologisch bekijken, dan blijft de vraag waartoe we opleiden liggen. Daarmee blijven maatschappelijke vraagstukken liggen en zouden die ook geen rol meer spelen bij de inrichting van het onderwijs. En dat zou er zo maar eens toe kunnen leiden dat het onderwijs nog meer gaat bijdragen aan een tweedeling in onze samenleving (zie mijn eerdere artikel over toenemende ongelijke onderwijskansen).

Het gaat mij er nogmaals niet om het als goed of fout wegzetten van bepaalde benaderingen of modes. Wat ik echter van essentieel belang vind is het ontrafelen van dit soort samenhangende aspecten. Op deze manier kunnen professionals weer grip krijgen op hun eigen werk en met elkaar weer de vraag gaan stellen: ‘Waartoe willen we eigenlijk opleiden?’. Juist met elkaar de diepte in, over visie, over de gevolgen daarvan voor groepen kinderen. Daar zou dus meer tijd en ruimte voor moeten zijn. En ook dat hoort bij emancipatie. Leraren krijgen zo weer het heft in eigen hand om te bepalen ‘wat doen we wel’ en ‘wat niet’.

Emancipatie zal ook betekenen dat leraren hun school weer in eigen hand gaan nemen. Meer en meer tekenen dringen daar nu gelukkig ook van door in de media. Zie hoe scholen onlangs besloten een week dicht te gaan, omdat ze gewoon de personeelsgaten niet meer kunnen blijven dichten. Scholen die geen instrument meer willen zijn van beslissers van buiten, maar die weer gaan verschijnen als autonome professionele gemeenschap die nauw samenwerkt met alle betrokkenen in een buurt.

Ook wetenschappers kunnen leraren nog veel beter helpen in hun nieuwe emancipatiestrijd. Niet door boeken uit te geven met ‘zo moet je het – want wetenschappelijk bewezen – doen’. Dan neem je leraren niet serieus en geef je hen juist niet meer, maar minder grip op hun werk. Wetenschappers moeten juist met leraren samen optrekken, in gesprek gaan en vooral vragen stellen in plaats van antwoorden geven. Gelukkig zien we daarin ook een beweging op gang komen en niet in de laatste plaats aangezwengeld door lectoraten.

Vrijgevochten professionals die als gelijken met andere professionals hun onderwijs vormgeven en die laten zien dat het leraarschap onvermijdelijk een maatschappelijk en dus ideologisch geladen beroep is. Dát zou de aantrekkelijkheid en de status van het beroep enorm vergroten. Dat het salaris dan ook een stuk omhoog moet is bij het zien van dergelijke professionals alleen nog maar een vanzelfsprekendheid.

Ideologie en emancipatie kunnen de leraar en het onderwijs redden
Schuiven naar boven