Iedereen heeft toch zijn eigen talent…

In de Volkskrant van 18 september 2020 eindigt Merel van Vroonhoven haar column met de opmerking “Anno 2020 bepaalt in welvarend Nederland de plek van je wieg nog steeds je toekomst. Hoe heb ik dat niet eerder zo duidelijk kunnen zien? Waar was ik al die tijd? Ver weg, ben ik bang, gerieflijk in mijn eigen bubbel.”

In eerste instantie verbaas ik me. Hoe is het mogelijk dat iemand met haar ervaring deze eye opener nog nodig heeft? Hoe heb je dan al die tijd mensen waargenomen? Wat riep het begrip ongelijke onderwijskansen dan eerder bij je op? Heb je dan altijd gedacht dat iemands schoolloopbaan puur eigen verdienste is? Later word ik blij: gelukkig ziet ze het in ieder geval nu en dat is een ongelofelijk mooie leerervaring.

Het idee dat we in een meritocratische samenleving leven, waarin je opleiding en je baan en salaris puur eigen verdienste zijn, lijkt wijd verspreid. Het merendeel van de bevolking blijkt dat te geloven, inclusief de ‘verliezers’, aldus De Beer en Van Pinxteren (2016) in hun boek ‘Meritocratie. Op weg naar een nieuwe klassensamenleving?’. En zeker voor die laatste groep is dat extra pijnlijk, want dat ‘verlies’ is dus – redenerend vanuit de meritocratische gedachte – jouw persoonlijke eigenschappen aan te rekenen, een kwestie van persoonlijk falen.

Op een of andere manier zijn we het besef kwijt geraakt dat die verdienste sterk bepaald wordt door je afkomst. Zo worden de kansen van een kind in het onderwijs vooral door de opleiding van ouders bepaald. Maar willen we dit nog horen? Als je wijst op de grote rol die de opleiding van ouders speelt bij basisschoolkinderen dan ‘ben je toch heel stereotiep bezig’ en ‘iedereen heeft toch eigen keuze’ en ‘een vriendin van mij met laagopgeleide ouders zit nu toch ook op het hbo’. Ook al toon je met onderzoeksgegevens de ongelijkheid van onderwijskansen aan dan is de reactie ‘daar ben ik het niet mee eens’ geen eenmalige gebeurtenis. Ook leraren en hoogleraren onderwijskunde of onderwijsfilosofie lijken voortaan liever te spreken over ‘de eigen talenten van kinderen’. In Nederland is de stroming sterk die kinderen liever geen cijfers geeft, die vmbo liever ‘anders’ dan ‘minder’ dan vwo wil noemen. Hoe nobel ook, juist met dit soort uitspraken doen we kinderen onrecht aan. Door de nadruk te leggen op individuele verschillen, bedek je sociale mechanismen die werkzaam zijn en versterk je mogelijk sociale ongelijkheden. Juist dan is het risico groot dat kinderen met laag opgeleide ouders niet het onderwijs krijgen dat ze aan zouden kunnen en juist dan blijft talent onderbenut.

Want wie ziet dan nog dat steeds de Charella’s naar het vmbo en de Lotte’s naar het vwo gaan, dat Charella steeds de herhalingssommen mag maken terwijl Lotte verder mag met haar eigen onderzoeksproject? En het vmbo mag dan anders zijn, is het toekomstperspectief van een lage statusbaan met weinig salaris en een sterke disciplinering van jouw werkzaamheden dan ook alleen maar ‘anders’ dan het toekomstperspectief van iemand met een hoger onderwijs diploma? De laatste jaren nemen de verschillen weer toe tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders. Zo stromen leerlingen met laagopgeleide ouders vaker door naar een lager onderwijsniveau. Ze krijgen lagere middelbare schooladviezen en deze worden minder vaak bijgesteld op basis van de eindtoets. Ook in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs stromen deze leerlingen vaker af. Bovendien gaan ze minder vaak naar het hoger onderwijs dan in eerdere jaren en stromen ze minder op van hbo naar wo. Selectie-eisen bij masteropleidingen blijken uiterst subjectief en in het voordeel uit te pakken van studenten van hoog opgeleide ouders. Zowel ouders en peers spelen hier een rol in, maar ook leraren en scholen. Daar schreef ik eerder deze column over. En zo ontstaat wat in de sociologie bekend staat als het Mattheus-effect ‘Mat. 25.29: Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft”. Ofwel: degenen die al veel hebben krijgen nog meer en die dat niet hebben krijgen nog minder.

Inmiddels zijn we allemaal zo gewend aan het beeld dat iedereen zijn eigen leven naar eigen keuze kan inrichten (zie mijn artikelen over generaties, bijvoorbeeld deze) dat de rol van sociale factoren liever weggepraat of gewoon ook niet begrepen wordt. Maar juist daarom is het nodig om de sociologische bril weer eens op te zetten. En niet in de laatste plaats door leraren en lerarenopleiders. En wat gebeuren er dan mooie dingen.

Zo maak ik regelmatig mee dat deeltijdstudenten, vaak al dertigers en veertigers nu pas ontdekken hoezeer hun loopbaan door hun herkomst beïnvloed is. Dat is niet zelden een emotioneel ‘turning point’. Ze herkennen zich bijvoorbeeld in het verhaal van Charella, hebben altijd te horen gekregen dat studeren ‘toch niets voor ons soort mensen is’ of ‘dat ze dan te veel op hun tenen moeten lopen’. Ze zijn (vaak ondanks goede prestaties) via vmbo en mbo uiteindelijk toch in het hbo beland. Ze merken daar dat ze zich niet altijd helemaal prettig voelen en zich afvragen hoe ze met docenten moeten omgaan, hoe ze moeten studeren en wat je nu wel of niet moet zeggen tijdens informele gesprekken. Ook hebben ze vaak het gevoel ‘dat ze door de mand zullen vallen, dat ze het eigenlijk helemaal niet kunnen’. Hierbij hebben ze dus altijd gedacht dat het puur aan zichzelf lag. Vaak kregen ze het advies in therapie te gaan om over hun psychische problemen te praten. Wat blijkt het dan voor mensen een verlichting te zijn als ze er achter komen dat het bekende sociologische mechanismen zijn. Zo is het niet vreemd dat je je niet meteen thuis voelt op een hbo of universiteit of het gevoel hebt er niet bij te horen als niemand in jouw familie jou is voor gegaan: het is een compleet ander milieu met een andere ‘taal’, gebruiken, manieren van praten en kleden. Het gaat er om de juiste culturele codes te kennen en als je je dat niet bewust bent dan lijkt het inderdaad of er iets met jou zelf aan de hand is.

In de sociologie staan dit soort gevoelens bekend onder de prachtige term ‘sociale hoogtevrees’, zoals Jan Brands (1992) daarvan mooie voorbeelden geeft in zijn proefschrift ‘Die hoeft nooit meer iets te leren’. Mick Matthys (2010) toont in zijn proefschrift ‘Doorzetters’ aan hoe deze eerstegeneratiestudenten hun milieu met zich mee blijven dragen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de neiging zichzelf weg te cijferen, het wantrouwen ten opzichte van leidinggevenden, weinig ambitie en carrièreplanning en ‘hard werken’ zien als echt werken.

         

Ook een mooie ervaring is als studenten in kaart brengen welke verwachtingen ze hebben van de kinderen in hun stageklas en hoe ze op kinderen reageren bijvoorbeeld bij het geven van beurten en de manier van belonen. Tot hun eigen schrik blijkt keer op keer dat ze vaak van de kinderen van laagopgeleide ouders de laagste verwachtingen blijken te hebben. Juist deze kinderen geven ze meer reproductievragen en slaan ze vaker over bij beurten en spreken ze meer disciplinerend toe. We weten dus haarfijn signalen op te pikken (taalgebruik, woordenschat, gedrag, kledingkeuze) en die onbewust van een sociale waardering te voorzien. En zolang dat onbewust blijft, dragen we zo – ook dat onbewust en onbedoeld – bij aan het versterken van ongelijke onderwijskansen.

De column van Van Vroonhoven laat zien dat die bewustwording geen vanzelfsprekendheid is. Opnieuw dus een pleidooi om in lerarenopleidingen vaker de sociologische bril op te zetten. Een mooi middel hierbij is het aan elkaar vertellen van je levensverhaal. Omgekeerd levert de analyse van die levensverhalen de mooiste sociologische inzichten op, zoals ook Matthys maar weer eens laat zien.

Iedereen heeft toch zijn eigen talent…
Schuiven naar boven