9 november: Dag van het koesteren van kritische meningen

Het is vandaag 9 november. De dag dat De Muur viel (1989), omdat mensen kritische vragen durfden te stellen. Maar het is ook de dag van Kristallnacht (1938), toen mensen geen kritische vragen durfden te stellen. En vandaag spreekt de Tweede Kamer over een wetsvoorstel om de burgerschapsopdracht van scholen aan te scherpen. Leren omgaan met een pluriformiteit aan meningen is daarvan een belangrijk onderdeel. Helpt het dan wat jongeren nu in de (virtuele) samenleving om zich heen zien?

Ik zie de enorm harde, botte manier waarop sommigen in de sociale media tekeergaan. Ik kan dat maar niet bevatten. Je zal als politicus of journalist maar goed bedoeld opkomen voor bijvoorbeeld het openhouden van bibliotheken of theaters. Je kunt het gewoon niet bedenken wat mensen daar dan allemaal voor naars van weten te maken zonder ook maar enige behoefte te voelen een zinnig argument aan te dragen. Toch wil ik daar nu niet op doorgaan.

Hoewel het niet in verhouding staat tot het bovenstaande, krijg ik ook steeds meer de rillingen van het tegenovergestelde: die enorme ‘positiviteit’ in de sociale media. Was dat eerst vooral nog op Facebook, de laatste tijd zijn de ook wat zakelijkere Twitter en LinkedIn steeds meer een soort van felicitatiepodia geworden. Mensen etaleren daar hun eigen successen, alsof ze allemaal net weer een medaille gehaald hebben. Successen die vaak een normaal onderdeel van hun werkzaamheden zijn (een artikel, een goede les, een nieuw project). Het zou zo mooi zijn de route daar naartoe te zien. De worstelingen, de te overwinnen moeilijkheden, maar ook de rol van anderen en de rol van toeval. Over dat laatste schrijft Michael J. Sandel in zijn boek De tirannie van de verdienste (2020). De meritocratie heeft ons blind gemaakt, zo stelt Sandel, voor de rol van de omgeving en de rol van toeval. Dat je een bepaald talent hebt kunnen ontwikkelen, hangt sterk samen met de omgeving waarin je verkeert en ook toevallige wendingen en ontmoetingen spelen een rol. Net zo goed is het toeval dat je een talent kan ontwikkelen, dat nu in onze maatschappij gewaardeerd wordt.

Maar van enige relativering is op de felicitatiepodia nauwelijks sprake. Of het moet volgens de nieuwste mode zijn door te praten in zinnen als ‘Ik MAG…’. Is dat om bescheiden over te komen, niet te veel op te scheppen? Wat zo mooi past bij de huidige en de ook typisch Nederlandse cultuur? Waar komt dit vandaan? Floor Basten signaleerde het al eerder in een stukje op LinkedIn en ik kon me wel vinden in haar opmerking ‘Als het een poging is om daar niet al te opschepperig over te doen, dan vind ik die mislukt, want het verwijzen naar een hogere macht suggereert alleen maar des te meer erkenning by proxy. Ik lees erin: “In al mijn bescheidenheid laat ik hierbij weten dat [een autoriteit] mijn nederige persoontje heeft uitverkoren om te …”.
En bij het etaleren van successen hoor je natuurlijk te reageren met opmerkingen als ‘Topper!’, ‘Geweldig’, ‘Gefeliciteerd’, ‘Zo passend bij jou!’.

Hoe zijn we op dit pad beland? Er lijkt nauwelijks een speelveld meer te bestaan tussen de twee uiterste polen van de niet onderbouwde, intimiderende afzeikopmerkingen of juist de positieve hoera-opmerkingen, die allebei een soort van ‘lege’ ruimtes zijn die eigenlijk niets toevoegen, waar we niet verder mee komen. Is er nog ergens ruimte om een inhoudelijk debat aan te gaan? Wordt het ergens nog op prijs gesteld als je kritische vragen stelt?
Als je Googled op ‘kritisch’ dan krijg je eerst alleen stukken te zien over ‘Hoe om te gaan met kritische mensen’ die opgevat worden als ‘negatief’, ‘de positieve sfeer bedervend’. Kortom: kritisch verwordt hier tot het tegendeel van positiviteit. Dat is vreemd, want kritisch zijn is toch echt iets anders dan die andere uiterste pool van de onbeargumenteerde afzeik-opmerkingen. Kritisch zijn verwordt hier ook tot een persoonskenmerk, een negatieve houding. Kijkend naar definities van kritisch denken dan is het echter een professionele kwaliteit. Het gaat om zaken als vooroordelen en subjectiviteit herkennen, bewijzen of tegenvoorbeelden zoeken bij een bewering, alternatieve opvattingen overwegen, jezelf vragen stellen bij meningen en overtuigingen, tegenstellingen waarnemen en bereid zijn om je eigen standpunten uit te leggen, te verdedigen en aan te passen.

Is het de tijdsgeest? Kan ik maar niet wennen aan het verdwijnen van de dagelijkse discussies die ik eind jaren tachtig, begin jaren negentig als student en later op mijn werk aan de universiteit en hogeschool voerde? Heerlijk vond ik het, om steeds zaken echt door te denken, daarbij aangespoord door medestudenten of collega’s die tegenvragen stelden, je uitdaagden. Die vergaderingen waarin we met het hele team steeds onze visie onder de loep namen en peilden of we nog wel deden wat we wilden doen. De felle discussies die bij de koffie konden ontstaan, maar waarbij we altijd inhoud van persoon bleven onderscheiden. Of de juist meer plagerige kritische opmerkingen als we elkaar in politieke overtuigingen de maat wilden nemen. Juist in teams die bestonden uit een diversiteit aan markante personen.

Ik herinner me de omslag in de loop van het nieuwe millennium, waarin discussiëren ineens als vermoeiend en ballast gezien ging worden. Een tijd waarin de wens ontstond om met een kleine groep snel en efficiënt de zaken te regelen, zodat de rest meer tijd zou hebben voor hun ‘kern’taken. Een meer bedrijfsmatige manier van kijken, die ooit Ruud Abma ook signaleerde bij universiteiten (DUB, 4 oktober 2018). Juist dat was voor mij de omslag om me veel minder professional te voelen, alsof het hart uit je werk werd geslagen. Juist dat samen nadenken over, steeds maar weer peilen, kritische vragen stellen heb ik altijd als kerntaak ervaren. En dan graag in die sfeer waarin humor ook essentieel was.

Volgens Abma hebben bedrijven een sterk ‘merk’ hoog te houden en hij signaleert op universiteiten, dat “Critici … soms te maken (krijgen) met, laat ik zeggen, ‘bijzondere aandacht’ van de betrokken bestuurder(s). Je wordt dan op gesprek ontboden. De gesprekstoon is amicaal, maar toch vooral vermanend: ‘wat je zegt klopt niet’ en waar het wel klopt is het ‘niet professioneel om dat in het openbaar te zeggen’. Het is geen gesprek tussen gelijken en de hele situatie is toch lichtelijk intimiderend. ‘Natuurlijk heb je alle vrijheid om je mening te uiten, maar…’. In dat ‘maar’ ligt een hele wereld besloten: een wereld van machtsuitoefening. En die staat op gespannen voet met de kritische houding die van academici verwacht wordt”.

Hoe die ‘machtsuitoefening’ werkt, werd onlangs ook helder beschreven door Martin Sommer in de Volkskrant van 31 oktober 2020. Een lerares van een ROC werd voor de rechter gedaagd vanwege haar geestig-kritische boek over onderwijsvernieuwingen op haar school. Haar kritische vragen werden gezien als ‘karakterprobleem’. Hier wordt de kern van die machtsuitoefening zichtbaar: een professionele kwaliteit wordt omgezet in een ‘negatief gedrags- of persoonskenmerk’. De Tweede Kamer was zo wijs een motie aan te nemen die stelt dat docenten ook buiten de muren van de school aan onderwijsdebatten mee moeten kunnen doen. En toch knaagt het, dat zoiets nodig is.

Juist in een tijd waarin we op onze scholen jongeren mee willen geven dat de vrijheid van meningsuiting belangrijk is, net als het goed luisteren naar elkaar en het kunnen discussiëren, zouden we zelf het goede voorbeeld moeten geven. Als we eerst leren discussiëren (lees de blog van Hessel Nieuwelink: het is belangrijk dat dit gebeurt door leraren die daarvoor geleerd hebben en dus bij een bepaald vak, lees: vooral maatschappijleer), dan kan een afwijkende mening een verrijking zijn. Dan krijgen we weer meer speelruimte tussen alleen de negatieve afzeikopmerkingen of positieve hoera-uitingen. Dan krijgen we een discussie waar we verder mee komen: een oefening in het analyseren en achterhalen van de overwegingen die achter dissidente meningen schuilen. En hoewel organisaties vaak onbewust meer selecteren van hetzelfde (want wat minder risico), is juist een dissonante denker essentieel voor de kwaliteit van elke organisatie en ook de groepen in de sociale media. En natuurlijk ook in het onderwijs. Laten zien dat een diversiteit aan meningen gekoesterd, gevoed en met humor tegemoet getreden kan worden, is een voorwaarde als we jongeren het belang van democratisch én kritisch burgerschap mee willen geven.

 

9 november: Dag van het koesteren van kritische meningen
Schuiven naar boven