Januari blues

Mijn hekel aan januari lijkt minder te worden. Januari als de ultieme maand van zelfmanagement, alles weer in het gelid, alles weer gericht op ‘stoppen met’ en ‘eindelijk eens beginnen aan’. Alles als de tegenpool van december, waarin ‘het samen gezellig, grote genieten’ centraal staat. Het opruimen van de kerstboom als markering tussen deze twee maanden. Het scheelt een hoop als ik de betekenis van die maanden zie als maatschappelijk opgelegde normen, of beter: puur commerciële uitwassen. Wat verdient er nu lekkerder dan mensen eerst aan te zetten tot het kopen van alles ‘wat maar gezellig, maar niet zo verantwoord is’, om ze dan vervolgens weer de noodzaak te laten voelen aankopen te doen die de decemberboodschappen compenseren (alcoholvrije wijn, nicotinepleisters, sportabonnementen). Zoals ik in eerdere blogs al beschreef, levert inzicht in maatschappelijke oorzaken pas echt grip en meer keuzevrijheid op. Ik kan besluiten er gewoon niet aan mee te doen.

Minder psychologiseren (alles bij het individu leggen) en meer sociologiseren kan helpen om de depressies en burn outs terug te dringen (generatie 6) en om de daadwerkelijke oorzaken daarvan aan te pakken. Hoe we ons voelen en welk beeld we van onszelf hebben, is meer ‘maatschappelijk’ dan we vaak denken. Sociologen hebben laten zien dat het centraal stellen van het individu dat zelf een eigen uniek levenspad uitstippelt en alles zelf in de hand heeft, een nieuw opgelegd levensloopideaal (generatie 4) is. Het neoliberale wereldbeeld lijkt in alle sectoren dominant. In onderwijs en werk is het individu een ondernemer van de eigen leer- en arbeidskracht die via gerichte stappen werkt aan een nog niet te kennen toekomst. Zelfmanagement gaat hand in hand met het idee dat ‘slagen’ vooral het resultaat is van eigen kunnen en hard werken en niet van een goede startpositie en een rijk sociaal netwerk. Omgekeerd is het ‘niet slagen’ een kwestie van persoonlijk falen: iets waar je zelf voor kiest, want je hebt toch immers alles zelf in de hand (generatie 5).? En we falen altijd, want het is nooit genoeg en nooit goed genoeg.

In januari vertaalt die maakbaarheidsgedachte van ‘het zelf’ in het idee dat ook ons lichaam tot in het uiterste maakbaar is. Vooral als we maar de juiste producten hiervoor aanschaffen. De horloges en apps om alles van ons lichaam te meten zijn daar een mooi voorbeeld van: je dag wordt vooral bepaald door het wel of niet behalen van de juiste metingen. Zolang we maar in dat nieuwe ideaal blijven geloven, blijven individuen op zichzelf teruggeworpen, waardoor zelfhulpboeken en coaches niet aan te slepen zijn. Als we het zien als een maatschappelijk opgelegd ideaal, dan komen andere ‘oplossingen’ in beeld. En als we de problemen en oplossingen ook nog eens als iets collectiefs in plaats van individueels definiëren kunnen we de maatschappelijke oorzaken ook aanpakken. Weer wat meer geloven in de maakbaarheid van de samenleving om zo bij meer echte vrijheid en maakbaarheid van het individu uit te komen.

     

Dat begint met dingen anders benoemen. Zo benoemt de Vlaamse socioloog Rudi Laermans burn out niet als een zuiver individuele ziekte, maar als ‘het nieuwe staken’. De Duitse socioloog Hartmut Rosa roept op om de blik naar buiten te richten op zaken die ons weer zin en verbinding doen ervaren. Religie, kunst en natuur als de bronnen om het hier en nu weer op zichzelf als zin te kunnen ervaren. Maar ook het betrokken zijn op anderen en de maatschappij helpt daarbij (generatie 8). De Nederlandse socioloog Marguerite van den Berg merkt op dat iedereen altijd moe is en altijd haast heeft. Ook zij vertaalt dat maatschappelijk, direct gekoppeld aan onze neoliberale arbeidsmarkt. Ze vertrekt in haar boek Werk is geen oplossing vanuit ‘de gedachte dat werk een probleem is’. Werk vraagt steeds meer van ons, in uren, in flexibiliteit, in onzekerheid over wat we kunnen verwachten, in de beloning die we er voor krijgen in relatie tot de eisen die steeds hoger worden. Onzekerheid en uitbuiting gelden natuurlijk het meest voor degenen die geen vaste banen hebben en laagbetaald werk verrichten. Dat neemt volgens haar niet weg dat ook in bijvoorbeeld het hoger onderwijs onzekerheid en ‘uitbuiting’ gemeengoed zijn. Ze noemt de volgende soort voorbeelden van onzekerheid. Mensen moeten concurreren om ‘de taken die het meest gewaardeerd worden’, het ‘systeem’ bepaalt steeds meer het lesrooster, onderzoeken moeten in concurrentie worden ‘binnengehaald’. Collega’s die moeten samenwerken, moeten tegelijk concurreren met elkaar om een salarisschaal hoger te krijgen, waarbij duidelijk is dat de bekwaamste collega die het meeste en beste werk verzet deze strijd niet wint. En iedereen moet zich altijd maar blijven ontwikkelen, al lijkt het dan helemaal niet om die ontwikkeling zelf te gaan, maar om het vastleggen van een ontwikkelopdracht en het ‘bewijzen’ van het behalen daarvan. Van den Berg wijst er op dat zelfs de fysieke werkplek onzeker is. Ook dan moeten we concurreren om een fijne plek voor de dag te vinden.

Maak van je passie je werk en heb je werk lief, is volgens Van den Berg de nieuwe slogan, die ons echter nog kwetsbaarder voor uitbuiting maakt: waarom moeten we meer betaald worden als we onze passie volgen en wat zijn nog de grenzen van werk als werk onze liefde is? De eisen aan werknemers worden steeds zwaarder en ook het uiterlijk van mensen is zelfs aandachtspunt. In de participatiewet staat expliciet, dat arbeidsdeelname niet belemmerd mag worden door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag. En bij dat gedrag hoort de bereidheid flexibel én optimistisch te zijn en alles als een kans en uitdaging te zien. Kritische vragen worden daarbij gebombardeerd tot karakterprobleem. Wat juist een professionele kwaliteit is verwordt tot een negatief persoonskenmerk, zoals ik al in een eerdere blog over kritische meningen schreef. Hoop op een betere toekomst lijkt voor steeds meer mensen de drijfveer, waarbij – ondanks nieuwe levensloopidealen – de vaste baan, hypotheek, auto, kinderen en vakantiereizen nog steeds richtsnoeren zijn. Daarom moeten we altijd aan staan, om kansen te grijpen als ze zich aandienen.. om steeds ‘het betere’ te zoeken… En daarom zijn we altijd moe en hebben we altijd haast…

Van den Berg pleit dan ook om het anders te doen. We zijn als werkenden volgens haar niet allemaal even kwetsbaar, maar we zijn allemaal met elkaar verbonden in ‘onze onzekerheid’. Volgens haar is het cruciaal om die verbondenheid te ervaren, om zo niet mee te doen zelf de wedstrijd te willen winnen, niet de kwetsbare te willen zijn, angst te hebben ‘aan de verkeerde kant’ terecht te komen. Daarmee houden we de rat race alleen maar in stand. Omdat we bang zijn voor onzekerheid gaan we er zelf aan meewerken. Ze pleit er voor werkgevers te laten merken dat zonder medewerking van werknemers alles tot stilstand komt. Dat kan ook via kleine daden van verzet. Van den Berg put uit voorbeelden uit mooi sociologisch onderzoek en filmdocumentaires: iets voor jezelf doen onder werktijd, klanten gratis dingen meegeven, je niet helemaal aan bepaalde procedures houden, toch een eigen werkplek inrichten, pauzes rekken, privédingen printen op het werk. Het zijn allemaal kleine alledaagse handelingen die je echter ook politiek kunt maken, op kunt vatten als bewust verzet om tijd en geld terug te claimen. Wat ik vooral meeneem uit haar verhaal is het kritisch durven blijven. Alleen dan komt er ruimte voor wat we dan wel zouden willen. Daarvoor moeten we elkaar verhalen vertellen over wat we zouden wensen en hoe we dat kunnen realiseren.

Net als Laermans en Rosa wil ook Van den Berg af van het neoliberale systeem, maar ik denk dat we vandaag al kunnen beginnen om in ieder geval de uitwassen van het systeem aan te pakken. Dat kan als alle betrokkenen weer verbondenheid met elkaar ervaren. Om maar even bij het hoger onderwijs te blijven: weg met perverse prikkels, samenwerking in plaats van concurrentie tussen mensen en teams, vaste onderzoeksbudgetten, een einde aan prestatiebeloningen, gezellige eigen werkplekken, stoppen met de illusie dat we alles kunnen controleren door ‘te meten’ of het nu om de inzet van werknemers gaat of de bezetting van lokalen en het waarderen van kritische, andere geluiden als onmisbare kenmerken van professionals. Deze uitwassen zijn bovendien ook onverenigbaar met een ander punt dat hoog op de agenda van het hoger onderwijs staat: inclusie.

Inclusie begint wat mij betreft met het ervaren van verbondenheid. Laten we die ervaren in onze onzekerheid en laten we elkaar verhalen vertellen over hoe we het zouden willen. En durf het eens anders te doen. Ik ga me dit jaar eens ontwikkelen in het ervaren van genoeg en goed genoeg. En ik laat ook de kerstboom lekker staan.

 

Laermans, R. (2020). Ik, wij, zij. Sociologische wegwijzers voor onze tijd. Gent: OWL PRESS.

Rosa, H. (2016). Leven in tijden van versnelling. Een pleidooi voor resonantie. Amsterdam: Boom uitgevers.

Berg, M. van den (2021). Werk is geen oplossing. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Januari blues
Schuiven naar boven